|
Het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (kortweg DSM) is een Amerikaans handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen
dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek
dient. De huidige versie (uit 2000) is een tekstrevisie van de vierde
editie, aangeduid als DSM-IV-TR.
Historisch perspectief
Vanaf de negentiende eeuw onderging de geneeskunde in het algemeen door wetenschappelijk onderzoek een hele evolutie. Ook in de psychiatrie leidde dit tot het opstellen van systematische indelingen van psychische aandoeningen.
Afhankelijk van het model dat de psychiaters die deze indelingen
opstelden hanteerden, van voornamelijk biologisch georiënteerd, (zoals Kraepelin)
tot meer theoretisch, leidde dit tot andere indelingen, die door en
naast elkaar werden gebruikt. Decennialang is het onderzoek naar de diagnostiek en behandeling van psychiatrische patiënten
ernstig bemoeilijkt doordat iedere onderzoeker zijn eigen invulling had
van een bepaalde diagnostische term, waardoor b.v. in het ene land een
bepaalde benadering bij een bepaalde groep patiënten wel leek aan te
slaan maar in een ander land helemaal niet.
In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kwam er
kritiek op de lage onderlinge betrouwbaarheid van bepaalde diagnoses en
op de te strikte afbakening van de grenzen tussen normaal en abnormaal
gedrag waar deze in werkelijkheid veel vager waren. De noodzaak van een
duidelijke en eenduidige diagnose leidde ertoe dat de meerderheid van
de psychiaters anders ging werken. Voortaan zou de voorlopige diagnose
met een collega of een team worden besproken. Daarvoor moesten de gebruikte diagnostische termen voor allen dezelfde inhoud hebben.
In de psychiatrie zijn klachten en symptomen van patiënten veelal
vaag, complex en onsamenhangend, en wisselt de beoordeling van de ernst
ervan sterk met de beoordelaar. Verder zijn er verschillende theorieën
over dezelfde term, bijvoorbeeld schizofrenie.
Om te pogen in deze chaos orde te scheppen is het DSM ontstaan, met
zoveel succes dat het inmiddels over nagenoeg de gehele wereld gebruikt
wordt. Een internationale groep psychiaters, psychologen en
epidemiologen kwamen voor de American Psychiatric Association
samen om een handleiding voor het gebruik van diagnostische termen
samen te stellen. Daarmee is niet gezegd dat het DSM perfect is; het
blijft een vrij ruwe maatstaf maar het is wel het beste en meest
algemeen gehanteerde classificatiemiddel dat er is. Het DSM wordt
geregeld herzien en aan de nieuwste inzichten aangepast.
In ongeveer 50 jaar is het DSM geëvolueerd van DSM-I tot DSM-IV-TR.
Op dit ogenblik (2008) is de laatste versie de DSM-IV-TR (2000). Door
de jaren heen zijn de volgende versies verschenen:
- DSM-I (1952)
- DSM-II (1968)
- DSM-III (1980)
- DSM-III-R (1987)
- DSM-IV (1994)
- DSM-IV-TR (2000)
- DSM-V (verwacht 2011) (de DSM-V zal voor de as-II niet meer categoriaal classificeren maar het beeld dimensionaal trachten te benaderen).
Doel
De DSM is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen,
uitgegeven en opgesteld door de American Psychiatric Association.
Het doel van de DSM is om onderlinge vergelijking van (groepen)
psychiatrische patiënten mogelijk te maken door eenduidige definities
op te stellen waaraan iemand moet voldoen om in een bepaalde groep te
vallen.
De DSM doet vooral uitspraak over de belemmering in het dagelijks functioneren (persoonlijk, relationeel, sociaal, beroepsmatig)
Gebruik
De DSM-IV-TR wordt gebruikt in de scholing (psychiatrische
opleidingen) voor de gezondheidszorg en daarbuiten in
niet-psychiatrische diensten zoals zorg voor mensen met een
functiebeperking, centra voor leerlingenbegeleiding en centra voor
maatschappelijk werk. Zo wordt de DSM-IV-TR gebruikt als naslagwerk met
betrekking tot de diagnostiek van Autisme.
Vóór de opkomst van de DSM waren psychiatrische diagnoses veel meer
afhankelijk van de psychiater in kwestie, dan van de symptomen van de
patiënt. Het DSM-IV omvat eveneens een mappingtabel zowel naar de ICD-9
als naar de ICD-10.
Structuur
In de DSM IV-TR is elke geestelijke afwijking voorgesteld als een
patroon van duidelijk observeerbare psychologische gedragskenmerken in
een individu. Telkens wordt verwezen naar de pijn die elke persoon
beleeft of de typische belemmering in het dagelijks functioneren. De
DSM IV-TR neemt een a-theoretische houding aan voor wat de oorzaak van
de afwijking aangaat. De DSM IV-TR is als een botanische gids: aan de
hand van de beschrijving van objectieve kenmerken, mentale afwijkingen
identificeren. Getracht wordt dus de diagnosen te operationaliseren:
werkbaar te maken, waardoor de kans dat twee waarnemers die dezelfde
persoon onderzoeken ook tot ongeveer dezelfde conclusies komen groter
wordt.
Elk ziektebeeld krijgt een code (getal) mee, bestaande uit vijf
cijfers. Ook binnen het ziektebeeld is nuancering mogelijk. Zo wordt
317.00 een milde intellectuele achterstand terwijl 317.01 doelt op een
milde achterstand met welbepaalde gedragskenmerken.
Daarnaast zijn er ook codes voorzien voor condities die niet toe te
schrijven zijn aan de behandelende stoornis (de zogenaamde V-codes).
Ingeval van huwelijksproblemen met depressie of angst kan de oorzaak
kenmerken van een psychisch lijden veroorzaken maar even snel
verdwijnen na aanpak van de oorzaak. Huwelijksproblemen krijgt dan ook
een V-code, meer bepaald V61.10.
Nieuw bij de DSM IV-TR is dat praktisch alle ziektebeelden een of
meerdere atypische categorieën toegoevoegd kregen. Een atypische
categorie betekent dat de diagnosticus over onvoldoende criteria
beschikte om een ziektebeeld te bepalen, maar toch sterke gelijkenis
zag.
Psychiatrische diagnostiek volgens het DSM vindt plaats vanuit 5 gezichtspunten of 'diagnostische assen':
- primaire symptomatologie, (de 'psychiatrische ziekte') (een klinisch syndroom, ziektebeeld dat niet altijd aanwezig of geweest is, of voorbijgaand is, de zogenaamde acute pathologie)
- achterliggende persoonlijkheidsstoornissen (en de specifieke ontwikkelingsstoornissen, kenmerken die blijvend zijn),
- (bijkomende) somatische ziekten (lichamelijke ziekten die psychische ziektebeelden geven) (een wisselende schildklierwerking kan bijvoorbeeld lijden tot depressie, bij te lage werking, of anorexia, bij te hoge werking),
- psychosociale en uitlokkende factoren (de intensiteit van de psychologische stressor, bijvoorbeeld alleen gaan wonen na een scheiding zal een ander effect hebben dan samenwonen na een scheiding),
- niveau van functioneren (op een schaal van 1 tot 100, waarbij 100 perfect is en 1 vrijwel nihil) in de vorm van GAF-score of Global Assessment of Functioning-schaal,
de mate waarin men zich weet aan te passen aan de omgeving, waarbij 0
betekent dat men geen duidelijke informatie heeft. Deze schaal is
belangrijk voor de therapieplanning.
Voorbeelden uit de DSM
Voorbeelden van personen, na psychiatrisch onderzocht te zijn, die volgens het DSM als volgt beschreven kunnen worden:
Depressief en suikerziekte
- as 1: depressieve stoornis
- as 2: ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
- as 3: suikerziekte
- as 4: recent weduwe geworden
- as 5: GAF score 65
Alcoholisme en zonder werk
- as 1 : stemmingsstoornis, eenmalige periode (296.23) / alcohol abusus (305.00)
- as 2 : afhankelijke persoonlijkheidsstoornis (301.6)
- as 3 : nihil
- as 4 : verlies van werk
- as 5 : GAF = 35
Diagnostiek patiënt in klinische opname
Onderzocht wordt of Persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld of dat de As-I problematiek daar verklaring voor geeft:
- as 1: .(295.70 Schizoaffectieve stoornis,) 305.00 middelen misbruik (cannabis, amfetamine)
- as 2 : 799.90a (sluit uit persoonlijkheidsstoornis) narcistische en antisociale trekken
- as 3: Epileptische manifestatie i.o.v. Seroquel (2003)
- as 4: Problemen gebonden aan sociale omgeving, wonen en werken
- as 5. : GAF 50-55
Let op: Sluit uit betekent hier dus Nader te onderzoeken en niet dat het wordt uitgesloten.
Verkorte aanpak
In praktijk van therapeuten en psychiatrische praktijk wordt een
meer verkorte aanpak gebruikt, waarbij enkel de meest extreme
pathologieën worden vermeld, met hun codes
- 293.83 Depressief lijden
- 244.9 Hypothyreoïde
- 365.23 Glaucoom
Overzicht hoofdcategorieën
- Stoornissen in de ontwikkeling die dus meestal voor het eerst op zuigelingenleeftijd, kinderleeftijd of in de adolescentie gediagnosticeerd worden
- Delirium, dementie en amnetische en andere cognitieve stoornissen
- Psychische stoornissen door een somatische aandoening
- Aan middelen gebonden stoornissen
- Schizofrenie en andere psychotische stoornissen
- Stemmingsstoornissen
- Angststoornissen
- Somatoforme stoornissen
- Nagebootste stoornissen
- Dissociatieve stoornissen
- Seksuele stoornissen en genderidentiteitsstoornissen
- Eetstoornissen
- Slaapstoornissen
- Stoornissen in de impulsbeheersing, niet elders geclassificeerd
- Aanpassingsstoornissen
- Persoonlijkheidsstoornissen
- Andere aandoeningen en problemen die een reden voor zorg kunnen zijn
- Aanvullende codes
Kritiek
Sociaal-culturele context
De DSM maakt een scherp onderscheid tussen ziekte en gezondheid.
Uiteindelijk betreffen psychiatrische ziektebeelden echter normale
gedragspatronen die (al of niet tijdelijk) naar het extreme kunnen
uitweiden. Veel begrippen uit de DSM zijn sterk gerelateerd aan
sociaal-culturele veranderingen. Dit geeft nog wel eens een problemen
op het gebied van de afgrenzing. Zo is bijvoorbeeld homoseksualiteit lange tijd een DSM-diagnose geweest.
Geen dimensionele indeling
De DSM is bekritiseerd omdat deze een atheoretische indeling van
psychiatrische ziektebeelden geeft, wat wetenschappelijk onderzoek en
betrouwbare conclusies over deze ziektebeelden bemoeilijkt. In het
jaarverslag van 2001 van de Columbia-universiteit
wordt hierover het volgende gezegd: "Dat de categorische benadering van
de huidige classificatie van persoonlijkheidsstoornissen, DSM-IV,
problemen geeft, is al lang onderkend door psychiaters en
wetenschappers." Een van de problemen is "het willekeurig onderscheid
tussen een normale persoonlijkheid, een persoonlijk karakter en
persoonlijkheidsstoornissen". Verder is een interessant gegeven dat
code 301.9 (persoonlijkheidsstoornis NAO: niet op een andere manier
omschreven) het vaakst gediagnosticeerd
wordt. De reden waarom de DSM-IV toch wereldwijd wordt gebruikt is dat
de klinische praktijk en het meeste wetenschappelijk onderzoek tot nu
toe op deze indeling is gebaseerd (wet van de remmende voorsprong). Er
zijn inmiddels alternatieve (dimensionele) indelingen beschikbaar, maar
deze hebben nog geen brede ingang gevonden, mogelijk omdat een
dimensionele indeling een fundamenteel andere manier van denken met
zich meebrengt.
De DSM wordt gebruikt om in enkele woorden en op overzichtelijke
wijze duidelijk te maken waar de problematiek van de patiënt over gaat,
met als doel een passende behandeling te kunnen geven. Vooral in de
huidige maatschappij met de vaak wisselende zorgverleners is het
wenselijk om in één oogopslag de basisproblematiek te overzien. Het
gebruik van DSM-categorieën (hokjes) kan echter leiden tot een
beschrijving van het ziektebeeld die tekort doet aan de complexiteit
ervan. Dit heeft als risico dat de behandeling tevens tekort schiet,
aangezien deze is gebaseerd op een te eenvoudig idee over de patiënt en
zijn ziektebeeld. Desondanks is een behandeling van patiënten die
slechts weinig criteria scoren voor een bepaalde DSM-ziektecategorie
toch vaak effectief, wanneer deze behandeling specifiek is gericht op
de gehele ziektecategorie. Behandeling volgens DSM-criteria is daarom
zeker niet verkeerd (er is momenteel weinig ervaring met alternatieve
indelingen), maar deze zou kunnen worden aangescherpt door gebruik te
maken van een meer genuanceerde indeling van psychiatrische
ziektebeelden. Inderdaad zal de DSM-V, die rond 2011 wordt verwacht,
een dimensionele indeling van persoonlijkheidsstoornissen bevatten (As
II, zie Big Five (persoonlijkheidsdimensies)).
Voor de zogenaamde As I-stoornissen (zoals depressies en psychotische
stoornissen) wordt nog steeds een categoriële indeling verwacht.
Belangenverstrengeling
Een ander punt van kritiek op de DSM betreft belangenverstrengeling
("conflicts of interest") bij de commissie die verantwoordelijk is voor
het maken van de (nieuwe) indelingen. Een recent onderzoek (2006) meldt dat zesenvijftig procent van de leden van de 170-koppige DSM-IV-
en IV-R-commissie één of meer financiële verbindingen hadden met de
farmaceutische industrie. Honderd procent van de leden van de
subcommissies 'Stemmingsstoornissen' en 'Schizofrenie en overige
psychotische stoornissen' hadden financiële banden met de
farmaceutische industrie. De overige commissies die verbindingen hadden
waren: financiering wetenschappelijk onderzoek (42%), consultancy (22%)
en sprekersbureau (16%).
|